Malawi
In de zomer van 2009 vertrok Mariël Croon voor een maand naar Malawi om met collega Pauline Sampiemon te gaan werken in Bwaila Hospital in de hoofdstad Lilongwe. Moeders voor moeders sponsorde er acht opleidingsplaatsen voor verloskundigen en een farmaceut gaf medicijnen mee. Verslagen uit het putje van de wereld.
7 september 2009
De tweede column van Mariël Croon vanuit Malawi: Overleven op de couveuseafdeling
In de zusterskamer van de couveuseafdeling wacht mijn collega Pauline en mij op deze vroege ochtend onze eerste kakkerlak. Hij klautert met zijn lange sprieten richting onze tassen. Bridget Maasland vertelde me als geroutineerde tropengangster, in het Vondelpark, waar we onze hond uitlieten, dat je kakkerlakken niet met je schoenen dood moet trappen omdat je dan al die eitjes mee naar huis neemt. We laten het beest aan de schoonmaakster, die er gehakt van maakt met haar mop. De kakkerlakken zijn nog het minste, zei Bridget. Dat zullen we weten vandaag...
Laetitia is vanaf vijf uur de vorige dag aan het werk geweest. Zo lang duurt de nachtdienst hier. En ze doet er nog een dagdienst achteraan - personeelsgebrek. Twee babys zijn er vannacht doodgegaan, vertelt ze. Ze waren niet te redden. Dat is hier dagelijks werk.
Meer dan twintig babys liggen er in de plastic bedjes op de couveuseafdeling. In kleurige batiklappen als kleine pakketjes, getweeën of gedrieën in een bedje. Om negen uur stromen de moeders binnen. Ze gaan op de stenen vloer zitten met hun bundeltje kind op schoot en kolven met de hand melk uit hun borst in een klein plastic kopje, waar de baby uit drinkt. Cupfeeding. We besluiten meteen dit in Nederland ook in te voeren. Hoe simpel kan het leven zijn. Geweldig ook, dat deze moeders hun kind zelf verzorgen. Er komt geen verpleegkundige aan te pas. En ook wij hebben hier als Nederlandse verloskundigen niets aan toe te voegen.
Denken we. Maar als de voeding achter de rug is, zijn alle moeders weer snel verdwenen. En naarmate de dag vordert, blijkt dat bijna alle babys verhoging hebben: dorstkoorts. Het is hier bloedheet, bijna alle babys krijgen te weinig moedermelk en ook geen bijvoeding. Bijvoeding kan het immuunsysteem aantasten van babys wiens moeder besmet is met hiv, en zo hun kans op aids vergroten. Dus ze krijgen of borstvoeding, of flesvoeding. Nooit beide.
Maar Afrikaanse moeders hebben net zo goed begeleiding bij de borstvoeding nodig als Europese, zo blijkt. We doen ons best om ze erbij te sleuren en voorlichting te geven. Rose spreekt Engels en vertaalt: hoe meer je voedt, des te meer melk je maakt. Het lijkt weinig indruk te maken. Je hoort ze denken: laat die blanken maar kletsen.
Eén kindje is letterlijk vel over been. Het krijgt veel te weinig om te groeien, maar net iets te veel om meteen dood te gaan. Het teert langzaam uit. Hier heerst de survival of the fittest. Een zwakke baby, daar kun je je maar beter niet aan hechten. De kans dat hij doodgaat is aanzienlijk. En dat is misschien maar beter ook, zo denken ze hier. Want als het kind later gehandicapt blijkt te zijn, is dat een loden last in het straatarme Malawi. Rose is anders dan de rest. Zij is een voorbeeldmoeder. Ze is 20 jaar en beviel 10 dagen geleden van haar eerste kind, van 1100 gram, een maand of 3 te vroeg. Rose kolft vlot 20 milliliter melk af en geeft het haar baby via de sonde. Roy laat een wonder zien. Hij leeft, zonder zuurstof, enkel door zijn overlevingsdrang en de zorg van zijn moeder. Rose straalt, zoals je op de foto kunt zien.
Eigenlijk is sterk zijn hier niet genoeg. Om een kans te maken, hebben de babys hier nog iets anders nodig. Een toegewijde moeder.
3 juli 2009
Column Mariël Croon vanuit Malawi: Roestige bedden en sterke vruchtvliezen
Zes baby's is mijn oogst van vandaag. Eén eerste, één tweede, één derde, twee vierde en één vijfde kind. Drie bij vrouwen die met het aidsvirus waren besmet. En dat zonder water, want dat was op vandaag. Dus was er ook geen pap voor de net bevallen vrouwen, geen sop om de instrumenten en plastic matrasjes schoon te maken, geen water om handen te wassen, om thee te zetten, om de barende vrouwen een slokje te laten drinken. Wel bloed, moederpoep, kinderpoep en liters vruchtwater...
Drie weken ben ik nu aan het werk in Bwaila Hospital in Llilongwe, de hoofdstad van Malawi, een van de armste landen van Afrika, met na Sierra Leone de hoogste moeder- en kindersterfte. Bwaila Hospital is het ziekenhuis waar niet alleen de vrouwen uit de omgeving naartoe komen, maar ook de meest ernstige gevallen van heinde en ver naar verwezen worden. Er worden hier duizend kinderen per maand geboren - dat is in veel Nederlandse ziekenhuizen de 'oogst' van een heel jaar.
Elke ochtend als we het ziekenhuis binnengaan, moeten we onszelf weer overwinnen. Een stallucht komt ons tegemoet. We lopen door de gang, waar alle familieleden hun toevlucht zoeken. Langs de zaal waar hutje mutje de moeders slapen met een kind op de couveuse, op dunne matrasjes en stukken schuimrubber. Dan lopen we de verloskamer op, een grote zaal met zestien roestige bedden en kapotte plastic gordijntjes. De bedden zijn geregeld allemaal bezet en vandaag lagen er zelfs vrouwen op een zeil op de grond te baren. En dat met een handjevol verloskundigen die als duizendpoten rondrennen, kinderen halen, infusen inbrengen, vacuëmverlossingen verrichten, stuitbevallingen doen en baby's reanimeren. Het allergrootste probleem hier is het schrijnende tekort aan verloskundigen, die bovendien zo weinig verdienen dat ze vertrekken zodra zich een betere kans voordoet.
Afgezien van de zes in mijn handen geboren baby's waren er twee die te groot waren om het bekken te passeren. Ze moesten uren wachten voordat ze naar de operatiekamer konden om 'bevrijd' te worden. De OK was bezet door een vrouw die bijna doodbloedde. Haar baarmoeder moest verwijderd worden om haar het leven te redden. Deze gevallen vind ik het ergste - de moeders hebben ondraaglijke pijn en het kan elk moment fataal zijn. Maar iedereen blijft er doodkalm onder - ze hebben er dagelijks minstens twee. Als je niet laconiek doet over vreselijke dingen, kun je hier niet werken.
Gelukkig is het niet alleen maar kommer en kwel. De eerste vrouw die ik zag vandaag, Loveness, had haar vorige kind vlak na de geboorte verloren. Ze keek angstig. Bij het inwendig onderzoek voelde ik een bloedvat in de vruchtvliezen. Dat is gevaarlijk: wanneer de vliezen breken, kan het kind verbloeden. De moeder zag mijn bezorgdheid en werd nog angstiger. Dit keer móest het goed gaan. De operatiekamer was bezet, dus we konden niet anders dan afwachten. Gelukkig hielden de vliezen stand tot het einde, het kind kwam gezond ter wereld. Loveness kon haar geluk niet op toen ze het schreeuwende jongetje zag. Ze wierp zich op haar knieën op het bed voor een schietgebed. En na Jezus viel mij haar dank ten deel. Ten minste één happy end vandaag.
